Het idee

Gebruik das Fahrrad voor de nominatief enkelvoud, das Fahrrad voor de accusatief, dem Fahrrad voor de datief en des Fahrrads voor de genitief. In de datief meervoud gebruik je den Fahrrädern.

Patronen vergelijken
NaamvalEnkelvoudMeervoud
Nominativdas Fahrraddie Fahrräder
Akkusativdas Fahrraddie Fahrräder
Dativdem Fahrradden Fahrrädern
Genitivdes Fahrradsder Fahrräder

Betekenis en handige combinaties

Fahrrad ontleent het onzijdige geslacht aan Rad. Het meervoud Fahrräder heeft een umlaut en de uitgang -er.

Handige combinaties: mit dem Fahrrad fahren; ein Fahrrad reparieren; das Fahrradschloss. Oefen elke combinatie als een volledige woordgroep; het lidwoord hoort bij het zelfstandig naamwoord, ook als er een bijvoeglijk naamwoord tussen staat.

Lidwoordcheck: nominatief enkelvoud

  • die Fahrrad das Fahrrad

    Deze oefening vraagt om de nominatief enkelvoud: das Fahrrad. In de hier geleerde betekenis is Fahrrad onzijdig. De nominatief meervoud is die Fahrräder. Leer beide vormen samen; een Nederlandse vertaling bepaalt het Duitse geslacht niet.

Voorbeelden

  • Das Fahrrad vor der Bücherei hat einen platten Reifen.De fiets voor de bibliotheek heeft een lekke band.
  • Ich schiebe das Fahrrad über den Marktplatz.Ik duw de fiets over het marktplein.
  • Mit dem Fahrrad bin ich schneller am Bahnhof.Met de fiets ben ik sneller op het station.
  • Die Kette des Fahrrads braucht etwas Öl.De ketting van de fiets heeft wat olie nodig.
  • Die Fahrräder stehen im überdachten Hof.De fietsen staan op de overdekte binnenplaats.
  • An den Fahrrädern sind neue Lichter montiert.Op de fietsen zijn nieuwe lichten gemonteerd.

Voorlezen gebruikt een synthetische Duitse stem op je apparaat. Kwaliteit en beschikbaarheid verschillen; je uitspraak wordt niet beoordeeld.

Let op

Neem het geslacht van een vertaald woord niet over in het Duits. Het basispaar om te leren is das Fahrrad — die Fahrräder. Fahrrad ontleent het onzijdige geslacht aan Rad. Het meervoud Fahrräder heeft een umlaut en de uitgang -er.

Probeer het zelf

  1. ___ Fahrrad (der / die / das)

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    das

    das: Fahrrad is onzijdig.

  2. Meervoud: das Fahrrad → die ___

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    Fahrräder

    Fahrräder: het meervoud heeft in de nominatief en accusatief het lidwoord die.

  3. Datief enkelvoud: mit ___ Fahrrad (dem / der)

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    dem

    dem: mit staat met de datief, dus mit dem Fahrrad.

Gebruik het vandaag

Lees de zes situaties, herken Fahrrad en zijn vormen en maak daarna de oefeningen over lidwoord, meervoud en datief zonder naar de tabel te kijken.