Een ja-neevraag begint gewoonlijk met de persoonsvorm.

Het idee

Het onderwerp volgt; infinitief of deelwoord blijft achteraan: Kannst du kommen? Hast du bezahlt? Een ontkennende vraag spreek je duidelijk tegen met doch.

Patronen vergelijken
Form / MusterBeispiel / Gegensatz
AussageDu hast Zeit.
FrageHast du Zeit?
ModalverbKannst du kommen?
PerfektHast du bezahlt?

Voorbeelden

  • Kommst du heute mit?
  • Ist der Platz noch frei?
  • Haben Sie eine Fahrkarte?
  • Kannst du das Fenster öffnen?
  • Hat er schon bezahlt?
  • Fährt der Bus zum Bahnhof?

Voorlezen gebruikt een synthetische Duitse stem op je apparaat. Kwaliteit en beschikbaarheid verschillen; je uitspraak wordt niet beoordeeld.

Let op

Let op dit onderscheid: Doch spreekt de negatieve aanname in de vraag uitdrukkelijk tegen.

Probeer het zelf

  1. ___ du heute Zeit? (Hast / Du hast)

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    Hast

    Antwoord: “Hast”. Een ja-neevraag begint met de persoonsvorm, gevolgd door het onderwerp.

  2. Kann sie morgen ___? (kommt / kommen)

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    kommen

    Antwoord: “kommen”. De persoonsvorm is er al; dit aanvullende werkwoord blijft infinitief.

  3. Du kommst nicht? ___, ich komme. (Doch / Nein)

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    Doch

    Antwoord: “Doch”. Doch spreekt de negatieve aanname in de vraag uitdrukkelijk tegen.

Gebruik het vandaag

Schrijf twee ja-neevragen over de plannen voor morgen. Begin elke vraag met de persoonsvorm. Beantwoord vervolgens één ontkennende vraag met doch.