Vraagwoorden specificeren de gezochte informatie; sommige veranderen van naamval.

Het idee

Wo vraagt locatie, wohin bestemming, woher herkomst. Wer vraagt onderwerp, wen accusatief, wem datief. Daarna volgt de persoonsvorm.

Patronen vergelijken
Form / MusterBeispiel / Gegensatz
Personwer / wen / wem
Sachewas
Ort / Ziel / Herkunftwo / wohin / woher
Zeit / Grund / Artwann / warum / wie

Voorbeelden

  • Wer wartet draußen?
  • Was brauchst du?
  • Wo wohnt deine Schwester?
  • Wohin fahrt ihr morgen?
  • Woher kommt dieser Brief?
  • Warum lernst du Deutsch?

Voorlezen gebruikt een synthetische Duitse stem op je apparaat. Kwaliteit en beschikbaarheid verschillen; je uitspraak wordt niet beoordeeld.

Let op

Wer vraagt naar het onderwerp, wen naar een accusatiefobject en wem naar een datiefobject. De rol in de zin bepaalt de naamval.

Probeer het zelf

  1. ___ fährt der Bus? Zum Bahnhof. (Wo / Wohin)

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    Wohin

    “Wohin” vraagt naar de bestemming. Zum Bahnhof zegt waar de bus naartoe rijdt; wo zou naar zijn locatie vragen.

  2. ___ wohnt sie? In Mainz. (Wo / Wohin)

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    Wo

    Antwoord: “Wo”. Dit beschrijft een bestaande locatie, geen overgang naar een nieuwe positie.

  3. ___ hilfst du? Meinem Bruder. (Wer / Wem)

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    Wem

    Antwoord: “Wem”. Deze aanvulling is datief; lidwoord, voornaamwoord of bijvoeglijk naamwoord moeten passen.

Gebruik het vandaag

Maak twee zinnen vanuit “Wer wartet draußen?”. Verander de eerste informatie en controleer de plaats van de persoonsvorm.