Beschrijf kleding en vergelijk een kleur na sein met een kleur voor het naamwoord. Let op dit voorbeeld: „Die Jacke ist blau.“

Het idee

Na sein blijft de kleur gelijk: Die Jacke ist blau. Voor het naamwoord: die blaue Jacke.

Patronen vergelijken
Wort / AusdruckForm / Gebrauch
die Jacke, die Jackenblau
der Pullover, die Pullovergrün
die Hose, die Hosenschwarz
das Hemd, die Hemdenweiß
das Kleid, die Kleidergelb
der Rock, die Röckerot
der Schuh, die Schuhebraun
der Mantel, die Mäntelgrau
die Mütze, die Mützenorange

Voorbeelden

  • Die Jacke ist blau.
  • Ich suche einen grünen Pullover.
  • Diese Schuhe sind bequem.
  • Die rote Tasche gehört Lea.
  • Meine Hose ist schwarz.
  • Trägst du heute einen Mantel?

Voorlezen gebruikt een synthetische Duitse stem op je apparaat. Kwaliteit en beschikbaarheid verschillen; je uitspraak wordt niet beoordeeld.

Let op

Het meervoud en de bijvoeglijke uitgang hebben verschillende functies: Schuhe en blaue Schuhe.

Probeer het zelf

  1. Ohne Nomen: Die Jacke ist ___. (blau / blaue)

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    blau

    „blau“ — Na sein krijgt het naamwoordelijk bijvoeglijk naamwoord geen uitgang.

  2. Vor dem Nomen: die ___ Tasche. (rot)

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    rote

    Na die in het vrouwelijk enkelvoud, nominatief of accusatief, krijgt het bijvoeglijk naamwoord -e: die rote Tasche.

  3. Mehrzahl: der Schuh → die ___.

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    Schuhe

    „Schuhe“ — Het meervoud van Schuh is Schuhe: voeg -e toe.

Gebruik het vandaag

Beschrijf drie kledingstukken: maak eerst een zin met ist en zet daarna de kleur als bijvoeglijk naamwoord vóór het naamwoord.