Beschrijf familiebanden en leer lidwoord en meervoud bij elk zelfstandig naamwoord. Let op dit voorbeeld: „Meine Schwester wohnt in Kiel.“

Het idee

Leer die Schwester samen met die Schwestern; bezittelijke woorden geven aan wiens familielid je bedoelt.

Patronen vergelijken
Wort / AusdruckForm / Gebrauch
die Mutter, die Müttermeine Mutter
der Vater, die Vätermein Vater
die Schwester, die Schwesterneine Schwester
der Bruder, die Brüderzwei Brüder
die Eltern (Plural)meine Eltern
das Kind, die Kinderunser Kind
die Großmutter, die Großmütterihre Großmutter
der Großvater, die Großvätersein Großvater
die Tante, die Tantenmeine Tante
der Onkel, die Onkelmein Onkel

Voorbeelden

  • Meine Schwester wohnt in Kiel.
  • Unser Vater kocht heute.
  • Lenas Eltern kommen am Freitag.
  • Mein Onkel hat zwei Kinder.
  • Ihre Großmutter erzählt gern Geschichten.
  • Ich besuche meinen Cousin.

Voorlezen gebruikt een synthetische Duitse stem op je apparaat. Kwaliteit en beschikbaarheid verschillen; je uitspraak wordt niet beoordeeld.

Let op

Eltern is meervoud: zeg meine Eltern, ook als je over één gezin spreekt.

Probeer het zelf

  1. Zwei Personen: meine ___ (die Schwester).

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    Schwestern

    „Schwestern“ — Het meervoud van Schwester is Schwestern: voeg -n toe.

  2. Die Mutter meiner Mutter ist meine ___.

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    Großmutter

    „Großmutter“ — De moeder van je moeder is je grootmoeder.

  3. Ergänze den Akkusativ: Ich besuche ___ Bruder. (mein)

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    meinen

    „meinen“ — Het mannelijke enkelvoudige lijdend voorwerp krijgt de accusatief.

Gebruik het vandaag

Beschrijf een echte of verzonnen familie van vier personen en leg uit hoe zij aan elkaar verwant zijn.