Fahren gebruik je voor veel vervoermiddelen; gehen voor lopen.

Het idee

Mit dem Bus fahren en zu Fuß gehen noemen de manier expliciet. Ins Kino gehen kan de activiteit algemener beschrijven. De getoonde verplaatsingen gebruiken sein in Perfekt.

Patronen vergelijken
Form / MusterBeispiel / Gegensatz
zu Fußgehen
Verkehrsmittelmit dem Bus / Rad fahren
allgemeine Aktivitätins Kino gehen
Perfektist gegangen / ist gefahren

Voorbeelden

  • Ich gehe zu Fuß zur Arbeit.
  • Wir fahren mit dem Bus ins Zentrum.
  • Sie fährt mit dem Fahrrad zur Schule.
  • Er geht heute ins Kino.
  • Bist du mit dem Zug gefahren?
  • Wir sind durch den Park gegangen.

Voorlezen gebruikt een synthetische Duitse stem op je apparaat. Kwaliteit en beschikbaarheid verschillen; je uitspraak wordt niet beoordeeld.

Let op

In Perfekt wordt het hulpwerkwoord vervoegd en staat het hoofdwerkwoord in Partizip II: ist gefahren; ist gegangen. Gebruik hier geen infinitief in plaats van het deelwoord.

Probeer het zelf

  1. Ich ___ mit dem Bus. (gehe / fahre)

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    fahre

    Antwoord: “fahre”. Fahren noemt hier vervoer per voertuig; zu Fuß gehen betekent expliciet lopen.

  2. Wir gehen ___. (zu Fuß / mit dem Auto)

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    zu Fuß

    Antwoord: “zu Fuß”. Fahren noemt hier vervoer per voertuig; zu Fuß gehen betekent expliciet lopen.

  3. Sie ist mit dem Rad ___. (gefahren / gefahren hat)

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    gefahren

    Antwoord: “gefahren”. Het hulpwerkwoord draagt tijd en persoon; het laatste werkwoord krijgt het voltooid deelwoord.

Gebruik het vandaag

Schrijf een gesprek van twee regels rond “Ich gehe zu Fuß zur Arbeit.”. Gebruik de doeluitdrukking in je antwoord en maak de betekenis duidelijk.