Leg een reis uit met vervoermiddel, halte, spoor en overstap. Let op dit voorbeeld: „Der Bus hält vor der Schule.“

Het idee

Mit vraagt datief: mit dem Bus. Umsteigen betekent op een ander voertuig of andere verbinding overstappen.

Patronen vergelijken
Wort / AusdruckForm / Gebrauch
der Bus, die Bussemit dem Bus
der Zug, die Zügemit dem Zug
die Straßenbahn, die Straßenbahnenmit der Straßenbahn
die U-Bahn, die U-Bahnenmit der U-Bahn
das Fahrrad, die Fahrrädermit dem Fahrrad
die Haltestelle, die Haltestellenan der Haltestelle
das Gleis, die Gleisevon Gleis vier
der Bahnsteig, die Bahnsteigeam Bahnsteig
die Fahrkarte, die Fahrkarteneine Fahrkarte kaufen
die Verspätung, die VerspätungenVerspätung haben

Voorbeelden

  • Der Bus hält vor der Schule.
  • Unser Zug fährt von Gleis vier ab.
  • Ich steige am Hauptbahnhof um.
  • Die Straßenbahn hat heute Verspätung.
  • Wir fahren mit dem Fahrrad zum See.
  • Die nächste Haltestelle ist der Markt.

Voorlezen gebruikt een synthetische Duitse stem op je apparaat. Kwaliteit en beschikbaarheid verschillen; je uitspraak wordt niet beoordeeld.

Let op

Gleis is het spoor en Bahnsteig het perron; het zijn verwante maar verschillende woorden.

Probeer het zelf

  1. Ergänze: mit ___ Bus. (der)

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    dem

    „dem“ — Mit vraagt datief, dus bij dit mannelijke woord dem.

  2. Zwei Züge nacheinander: Ich muss ___.

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    umsteigen

    „umsteigen“ — Umsteigen betekent naar een ander voertuig of andere verbinding overstappen.

  3. Mehrzahl: das Gleis → die ___.

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    Gleise

    „Gleise“ — Het meervoud van Gleis is Gleise: voeg -e toe.

Gebruik het vandaag

Plan een route met twee vervoermiddelen en één overstap. Noem je vertrek- en aankomsttijd.