Het idee

Leer de volledige constructie träumen von, inclusief de aanvulling in de datief. Het voorzetsel von hoort bij de constructie; leid de naamval niet af uit het Nederlands. In een ja/nee-vraag komt de persoonsvorm vóór het onderwerp, maar de aanvulling behoudt haar naamval.

Patronen vergelijken
PatroonNaamval
träumen vonDativ

Herstel de aanvulling

  • Sie träumt von einen Garten. Sie träumt von einem Garten.

    Von neemt de datief; gebruik einem Garten en niet einen Garten.

Voorbeelden

  • Ich träume von einem kleinen Haus am Wasser.Ik droom van een klein huis aan het water.
  • Träume ich von einem kleinen Haus am Wasser?Droom ik van een klein huis aan het water?
  • Die Erzählerin träumt von ihrer früheren Schule.De verteller droomt over haar vroegere school.
  • Träumt die Erzählerin von ihrer früheren Schule?Droomt de verteller over haar vroegere school?
  • Wir träumen von einer langen Reise mit dem Zug.Wij dromen van een lange treinreis.
  • Träumen wir von einer langen Reise mit dem Zug?Dromen wij van een lange treinreis?

Voorlezen gebruikt een synthetische Duitse stem op je apparaat. Kwaliteit en beschikbaarheid verschillen; je uitspraak wordt niet beoordeeld.

Let op

Von neemt de datief; gebruik einem Garten en niet einen Garten.

Probeer het zelf

  1. träumen ___ — vul het voorzetsel in

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    von

    von: dit is het vereiste voorzetsel in träumen von.

  2. Verbeter: Sie träumt von einen Garten.

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    Sie träumt von einem Garten.

    Sie träumt von einem Garten. Von neemt de datief; gebruik einem Garten en niet einen Garten.

  3. Maak er een ja/nee-vraag van: Ich träume von einem kleinen Haus am Wasser.

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    Träume ich von einem kleinen Haus am Wasser?

    Träume ich von einem kleinen Haus am Wasser? De persoonsvorm staat vooraan; de aanvulling behoudt haar naamval.

Gebruik het vandaag

Schrijf twee zinnen over je eigen week met träumen von: een stellende zin en de bijbehorende ja/nee-vraag. De woordvolgorde verandert, maar de aanvulling blijft in de datief; vergelijk beide met “Sie träumt von einem Garten.”.