De nominatief markeert het onderwerp, ook in het meervoud.

Het idee

De nominatief markeert het grammaticale onderwerp, waarmee de persoonsvorm overeenkomt. Na sein blijft een naamwoord dat het onderwerp beschrijft ook nominatief: Er ist ein Freund.

Patronen vergelijken
Geslacht / getalBepaald lidwoordOnbepaald lidwoord
Maskulinum (Singular)der Nachbarein Nachbar
Femininum (Singular)die Katzeeine Katze
Neutrum (Singular)das Fensterein Fenster
Pluraldie SchuheSchuhe (ohne Artikel)

Vind het onderwerp, waar het ook staat

In Heute winkt der Nachbar blijft der Nachbar het onderwerp. Heute geeft de tijd aan; de eerste plaats maakt het nog geen onderwerp. Met die Nachbarn verandert ook het werkwoord: Heute winken die Nachbarn.

Ein en eine hebben geen meervoud. Schuhe verwijst naar niet nader bepaalde schoenen; die Schuhe naar schoenen die de luisteraar kan herkennen. In Die Frau ist Ärztin beschrijft Ärztin het onderwerp na ist en blijft het nominatief. Een beroep zonder nadere bepaling krijgt hier gewoonlijk geen lidwoord.

Persoonlijke voornaamwoorden in de nominatief

Persoon / getalNominatiefvormDuits voorbeeld
1. Person SingularichIch winke.
2. Person SingularduDu winkst.
3. Person Singular (maskulin)erEr winkt.
3. Person Singular (feminin)sieSie winkt.
3. Person Singular (Neutrum)esEs ist offen.
1. Person PluralwirWir winken.
2. Person PluralihrIhr winkt.
3. Person PluralsieSie winken.
Höfliche Anrede (Singular oder Plural)SieSie winken.

Herken en verbeter twee fouten

  • Den Zug fährt ab. Der Zug fährt ab.

    Der Zug is het onderwerp van fährt ab en krijgt daarom nominatief der. Den is accusatief, zoals in Ich sehe den Zug; die vorm past niet bij dit onderwerp.

  • Er ist einen guten Freund. Er ist ein guter Freund.

    Na ist verwijst ein guter Freund naar dezelfde persoon als er. Het is een beschrijving in de nominatief, geen object in de accusatief. Beide vormen moeten kloppen: ein guter, niet einen guten.

Voorbeelden

  • Der Nachbar winkt.De buurman zwaait.
  • Die Katze schläft.De kat slaapt.
  • Das Fenster ist offen.Het raam is open.
  • Meine Schuhe sind nass.Mijn schoenen zijn nat.
  • Ein Zug kommt an.Er komt een trein aan.
  • Die Frau ist Ärztin.De vrouw is arts.
  • Marta und Otto warten vor dem Café.Marta en Otto wachten voor het café.

Voorlezen gebruikt een synthetische Duitse stem op je apparaat. Kwaliteit en beschikbaarheid verschillen; je uitspraak wordt niet beoordeeld.

Let op

Heute vooraan zetten maakt een meervoudig onderwerp niet enkelvoudig. Schrijf Heute kommen die Kinder, niet Heute kommt die Kinder: Kinder blijft meervoud, ook na het werkwoord.

Probeer het zelf

  1. ___ Zug fährt ab. (Der / Den)

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    Der

    Der Zug is het mannelijke enkelvoudige onderwerp van fährt ab. Het bepaalde lidwoord in de nominatief is der; den zou accusatief zijn.

  2. ___ Kinder lachen. (Die / Den)

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    Die

    Die Kinder is het meervoudige onderwerp, dus het bepaalde lidwoord in de nominatief is die. De werkwoordsvorm lachen past bij het meervoud Kinder.

  3. Er ist ___ guter Freund. (ein / einen)

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    ein

    Ein guter Freund verwijst na ist naar dezelfde persoon als er en blijft daarom nominatief. Het mannelijke onbepaalde lidwoord in het enkelvoud is ein, niet accusatief einen.

  4. Beginne den Satz mit Heute: „Die Kinder kommen heute.“

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    Heute kommen die Kinder.

    Heute staat op de eerste plaats en de persoonsvorm kommen blijft op de tweede. Die Kinder blijft het onderwerp in de nominatief, ook na het werkwoord; het meervoud past bij kommen.

Gebruik het vandaag

Gebruik Der Nachbar winkt als model. Vervang Der Nachbar eerst door Marta en daarna door Marta und Otto. Pas het werkwoord aan voor één of twee personen. Voeg daarna Heute vooraan toe en houd het werkwoord op de tweede plaats.