Modale werkwoorden voegen mogelijkheid, noodzaak, toestemming of bedoeling toe. Het andere werkwoord blijft meestal infinitief.

Het idee

In een hoofdzin staat het vervoegde modale werkwoord op de werkwoordsplaats en de infinitief achteraan: Ich kann morgen kommen. Können drukt kunnen uit, müssen noodzaak, dürfen toestemming, wollen een bedoeling en sollen een opdracht of verwachting. Möchten formuleert een beleefde wens.

Patronen vergelijken
Infinitivichduer/sie/es
könnenkannkannstkann
müssenmussmusstmuss
dürfendarfdarfstdarf
wollenwillwillstwill
sollensollsollstsoll

Voorbeelden

  • Ich kann schwimmen.
  • Du musst heute arbeiten.
  • Wir dürfen hier sitzen.
  • Sie will Deutsch lernen.
  • Er soll den Arzt anrufen.
  • Möchten Sie einen Tee?

Voorlezen gebruikt een synthetische Duitse stem op je apparaat. Kwaliteit en beschikbaarheid verschillen; je uitspraak wordt niet beoordeeld.

Let op

Vervoeg het tweede werkwoord niet opnieuw: wir können kommen. Het modale werkwoord draagt persoon en getal.

Probeer het zelf

  1. Er ___ heute arbeiten. (müssen)

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    muss

    De derde persoon enkelvoud van müssen is muss.

  2. Wir können morgen ___. (kommen)

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    kommen

    Na können blijft kommen in de infinitief.

  3. ___ ich hier sitzen? (dürfen)

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    Darf

    Een toestemmingsvraag begint met Darf ich …?

Gebruik het vandaag

Zeg wat je kunt, vandaag moet en graag zou willen doen. Controleer steeds de infinitief aan het einde.