De vier seizoenen in het Duits zijn der Frühling (lente), der Sommer (zomer), der Herbst (herfst) en der Winter (winter). Gebruik de vertalingen en weerzinnen om over een seizoen of activiteit te praten: Im Frühling wird es wärmer betekent «in de lente wordt het warmer».

Het idee

Bij seizoenen staat im: im Frühling, im Sommer, im Herbst, im Winter. Weerwerkwoorden krijgen vaak es: Es regnet (het regent), Es schneit (het sneeuwt).

Patronen vergelijken
Duits woord / uitdrukkingBetekenis en gebruik
der Frühling, die Frühlingelente / voorjaar — im Frühling (in de lente)
der Sommer, die Sommerzomer — im Sommer (in de zomer)
der Herbst, die Herbsteherfst / najaar — im Herbst (in de herfst)
der Winter, die Winterwinter — im Winter (in de winter)
der Regen (meist Singular)regen — Es regnet. (Het regent.)
der Schnee (meist Singular)sneeuw — Es schneit. (Het sneeuwt.)
die Sonne, die Sonnenzon — Die Sonne scheint. (De zon schijnt.)
der Wind, die Windewind — Es ist windig. (Het is winderig.)
die Wolke, die Wolkenwolk — Es ist bewölkt. (Het is bewolkt.)
das Gewitter, die Gewitteronweer — Es gibt ein Gewitter. (Het onweert.)

Seizoenen, weer en hoe je je voelt

De vier seizoenen heten der Frühling (lente), der Sommer (zomer), der Herbst (herfst) en der Winter (winter). Anders dan in het Nederlands krijgen ze een hoofdletter. Gebruik im bij een seizoen en am bij een weekdag: Im Herbst regnet es oft; am Dienstag bleibt es trocken. Vraag Wie ist das Wetter? Es ist kalt betekent «het is koud»; Mir ist kalt betekent «ik heb het koud». Laat es ook na Heute staan: Heute ist es warm.

Voorbeelden

  • Heute regnet es seit dem Morgen.Het regent vandaag al sinds vanochtend.
  • Im Frühling wird es wärmer.In de lente wordt het warmer.
  • Morgen soll es windig sein.Morgen wordt het naar verwachting winderig.
  • Die Sonne scheint über dem See.De zon schijnt boven het meer.
  • Im Winter liegt hier manchmal Schnee.In de winter ligt hier soms sneeuw.
  • Nimm eine Jacke mit, es ist kühl.Neem een jas mee, het is fris.

Voorlezen gebruikt een synthetische Duitse stem op je apparaat. Kwaliteit en beschikbaarheid verschillen; je uitspraak wordt niet beoordeeld.

Let op

Wind is een zelfstandig naamwoord, windig een bijvoeglijk naamwoord: Es ist windig, niet Es ist Wind.

Probeer het zelf

  1. Ergänze: ___ regnet. (Es / Er)

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    Es

    „Es“ — Bij regnen hoort het onpersoonlijke onderwerp es.

  2. Eine Jahreszeit: ___ Sommer. (im / am)

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    im

    „im“ — Een seizoen krijgt in deze tijdsbepaling im.

  3. Wähle das Adjektiv: Heute ist es ___. (Wind / windig)

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    windig

    „windig“ — Na ist beschrijft windig het weer; Wind is een naamwoord.

  4. Du frierst: ___ ist kalt. (Mir / Es)

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    Mir

    „Mir“ — Mir ist kalt betekent dat jij het koud hebt; Es ist kalt beschrijft het weer of de omgeving.

Gebruik het vandaag

Schrijf een weerbericht voor drie dagen en plan een passende activiteit. Noem één seizoen met im en één weekdag met am. Gebruik daarnaast Mir ist kalt of Mir ist warm om te zeggen hoe jij je voelt.