Wissen betreft vaak feiten; kennen betekent vertrouwd zijn met personen, plaatsen of zaken.

Het idee

Vergelijk Ich weiß, dass ... en Ich kenne die Person. Wissen vormt weiß, weißt, weiß in enkelvoud. Sommige naamwoorden gebruiken beide afhankelijk van context.

Patronen vergelijken
Form / MusterBeispiel / Gegensatz
wisseneine Information / einen Sachverhalt wissen
kenneneine Person / einen Ort kennen
Präsensich weiß / du weißt / er weiß
Perfekthat gewusst / hat gekannt

Voorbeelden

  • Ich weiß die Antwort.
  • Kennst du diese Straße?
  • Sie weiß, wann der Kurs beginnt.
  • Wir kennen unsere Nachbarn gut.
  • Weißt du, wo mein Schlüssel liegt?
  • Ich kenne das Lied, aber nicht den Titel.

Voorlezen gebruikt een synthetische Duitse stem op je apparaat. Kwaliteit en beschikbaarheid verschillen; je uitspraak wordt niet beoordeeld.

Let op

Let op dit onderscheid: Kennen drukt vertrouwdheid met deze persoon, plaats of zaak uit.

Probeer het zelf

  1. Ich ___, dass er heute kommt. (weiß / kenne)

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    weiß

    Antwoord: “weiß”. Wissen introduceert feitenkennis of een bijzin met wat bekend is.

  2. ___ du meine Schwester? (Weißt / Kennst)

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    Kennst

    Antwoord: “Kennst”. Kennen drukt vertrouwdheid met deze persoon, plaats of zaak uit.

  3. Wir ___ den Weg. (wissen / kennen; vertrauter Weg)

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    kennen

    Antwoord: “kennen”. Kennen drukt vertrouwdheid met deze persoon, plaats of zaak uit.

Gebruik het vandaag

Schrijf een gesprek van twee regels rond “Ich weiß die Antwort.”. Gebruik de doeluitdrukking in je antwoord en maak de betekenis duidelijk.