Geben verbindt vaak gever, ontvanger en voorwerp.

Het idee

De ontvanger staat in datief, de zaak in accusatief: dem Kind einen Apfel geben. Leer gibst, gibt, gegeben. Es gibt is een afzonderlijke constructie.

Patronen vergelijken
Form / MusterBeispiel / Gegensatz
Empfänger: Dativdem Kind / mir
Sache: Akkusativeinen Apfel / das Buch
Präsensich gebe / du gibst / er gibt
Perfekthat gegeben

Voorbeelden

  • Ich gebe dem Kind einen Apfel.
  • Gibst du mir bitte den Stift?
  • Sie gibt ihrer Freundin das Buch.
  • Wir haben den Gästen Wasser gegeben.
  • Gib mir bitte kurz Bescheid!
  • Im Dorf gibt es eine Bäckerei.

Voorlezen gebruikt een synthetische Duitse stem op je apparaat. Kwaliteit en beschikbaarheid verschillen; je uitspraak wordt niet beoordeeld.

Let op

In Perfekt wordt het hulpwerkwoord vervoegd en staat het hoofdwerkwoord in Partizip II: hat gegeben. Gebruik hier geen infinitief in plaats van het deelwoord.

Probeer het zelf

  1. Ich gebe ___ Kind einen Ball. (dem / den)

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    dem

    Antwoord: “dem”. Deze aanvulling is datief; lidwoord, voornaamwoord of bijvoeglijk naamwoord moeten passen.

  2. Du ___ mir das Buch. (geben)

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    gibst

    Antwoord: “gibst”. Controleer het onderwerp: de stam wisselt bij du en er/sie/es, doorgaans niet in meervoud.

  3. Er hat uns einen Tipp ___. (geben)

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    gegeben

    Antwoord: “gegeben”. Het hulpwerkwoord draagt tijd en persoon; het laatste werkwoord krijgt het voltooid deelwoord.

Gebruik het vandaag

Gebruik “Ich gebe dem Kind einen Apfel.” als model. Vervang de naamwoordgroep door twee nieuwe personen of voorwerpen en leg de naamval uit.