Lenen of uitlenen? Volg de personen bij leihen, ausleihen en borgen en oefen de vormen met scheidbare voorvoegsels.

Het idee

Leihen en ausleihen kunnen tijdelijk geven of nemen betekenen. Jemandem etwas leihen noemt de ontvanger in de datief; sich etwas von jemandem leihen toont het lenen van iemand. Ook borgen kan beide richtingen hebben.

Patronen vergelijken
Patroon / vormDuits voorbeeld
geben: jemandem etwas leihenLena leiht mir ihr Rad.
nehmen: sich etwas von jemandem leihenIch leihe mir ein Rad von Lena.
leihen – lieh – hat geliehenausleihen – lieh aus – hat ausgeliehen
borgen – borgte – hat geborgtjemandem etwas borgen / sich etwas borgen

Lees de hele constructie

Lena leent je een boek: Lena leiht mir ein Buch. Vanuit jouw kant beschrijft Ich leihe mir ein Buch von Lena dezelfde overdracht. Ausleihen is scheidbaar: ich leihe es aus, ich habe es ausgeliehen. Borgen is regionaal of persoonlijk vertrouwd, maar Duden noemt het verouderend; leihen is een neutrale basiskeuze.

Voorbeelden

  • Lena leiht mir ihr Fahrrad.Lena leent mij haar fiets.
  • Ich leihe mir ein Buch von Lena.Ik leen een boek van Lena.
  • Die Bibliothek leiht Bücher aus.De bibliotheek leent boeken uit.
  • Ich habe mir eine Bohrmaschine ausgeliehen.Ik heb een boormachine geleend.
  • Kannst du mir deinen Schirm borgen?Kun je me je paraplu lenen?
  • Morgen gebe ich dir das Buch zurück.Morgen geef ik je het boek terug.

Voorlezen gebruikt een synthetische Duitse stem op je apparaat. Kwaliteit en beschikbaarheid verschillen; je uitspraak wordt niet beoordeeld.

Let op

Ausleihen betekent niet automatisch lenen in plaats van uitlenen. Bepaal uit de hele zin wie het voorwerp krijgt.

Probeer het zelf

  1. Lena leiht mir ihr Rad. Wer bekommt es? (Lena / ich)

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    ich

    ich — Mir geeft de ontvanger aan; Lena leent de fiets uit.

  2. Ich leihe mir ein Buch ___. (ausleihen)

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    aus

    aus — Het scheidbare voorvoegsel staat achteraan in deze hoofdzin.

  3. Ich habe mir ein Buch ___. (ausleihen)

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    ausgeliehen

    ausgeliehen — Het hulpwerkwoord staat er al; gebruik het voltooid deelwoord uit de tabel.

  4. Kannst du ___ dein Rad leihen? (ich)

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    mir

    mir — Deze persoon staat in de datief, niet de accusatief.

Gebruik het vandaag

Schrijf twee samenhangende zinnen over je eigen situatie met deze patronen: ... leiht mir ... . / Ich leihe mir ... von ... .