Het idee

Twee manieren om naar afkortingen te vragen: “Was bedeutet …?” en “Wofür steht …?” (Waar staat … voor?). Stehen für neemt de accusatief en wordt in een vraag wofür. “Aus dem Zusammenhang erraten” betekent raden aan de hand van de context. Een Abkürzung is ausgeschrieben als ze volledig is uitgeschreven. Overdrachtsnotities in de zorg gebruiken vaak teamspecifieke afkortingen, dus vragen is normaal en meestal welkom. Verfassen is een iets formeel werkwoord voor het schrijven van een tekst.

Andere manieren om het te zeggen

“Wofür steht dieses Kürzel?” – Neutraal en heel gebruikelijk; Kürzel is een korte vorm of code.

“Kannst du mir sagen, was hier gemeint ist?” – Informele versie met du voor een goede collega.

“Könnten Sie die Abkürzung bitte ausschreiben?” – Beleefd verzoek om de volledige vorm, ook schriftelijk.

Voorbeelden

  • Was bedeutet diese Abkürzung in der Übergabenotiz?Wat betekent deze afkorting in de overdrachtsnotitie?
  • Ich möchte sie nicht aus dem Zusammenhang erraten.Ik wil het niet uit de context raden.
  • Wer hat die Notiz verfasst?Wie heeft de notitie geschreven?
  • Die Verfasserin beginnt gleich ihren Dienst.De schrijfster begint zo meteen haar dienst.
  • Dann frage ich direkt nach der ausgeschriebenen Form.Dan vraag ik direct naar de uitgeschreven vorm.
  • So geben wir keine unklare Abkürzung weiter.Zo geven we geen onduidelijke afkorting door.

Voorlezen gebruikt een synthetische Duitse stem op je apparaat. Kwaliteit en beschikbaarheid verschillen; je uitspraak wordt niet beoordeeld.

Let op

“Was steht diese Abkürzung für?” → “Wofür steht diese Abkürzung?”: Het Nederlands kan de vraag beëindigen met “voor” (“waar staat dit voor?”), maar het Duits verplaatst het voorzetsel naar het vraagwoord: wofür. Een voorzetsel kan niet alleen aan het eind van een Duitse vraag blijven staan.

Probeer het zelf

  1. Vertaal naar het Duits: Wat betekent deze afkorting in de overdrachtsnotitie?

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    Was bedeutet diese Abkürzung in der Übergabenotiz?

    Een W-vraag: eerst “Was”, dan het werkwoord “bedeutet”, dan het onderwerp “diese Abkürzung”. “In der Übergabenotiz” is een locatie in de datief die het exacte document noemt.

  2. Zet de woorden in de juiste volgorde: die / hat / Notiz / verfasst / Wer

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    Wer hat die Notiz verfasst?

    “Wer” is het onderwerp, dus het werkwoord volgt direct: “Wer hat … verfasst?” Verfassen is hier het voltooid deelwoord; het klinkt iets formeler dan geschrieben.

  3. Schrijf deze zin in het Duits: Zo geven we geen onduidelijke afkorting door.

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    So geben wir keine unklare Abkürzung weiter.

    “So” verwijst terug naar het vragen aan de schrijver. Weitergeben splitst zich in “geben … weiter” en “keine unklare Abkürzung” ontkent het zelfstandig naamwoord met kein.

Gebruik het vandaag

In je overdrachtsnotitie staat “BZ kontrolliert, VW morgen”. Schrijf twee vragen aan de collega die het schreef, waarin je vraagt waar elke afkorting voor staat.