De zon schijnt, een plan lijkt handig: leer twee dagelijkse betekenissen van scheinen, de infinitief met zu en de verleden vormen.

Het idee

Scheinen beschrijft licht: Die Sonne scheint. Ook een indruk: Der Plan scheint sinnvoll; Das Gerät scheint zu funktionieren. De vormen zijn scheint – schien – hat geschienen.

Patronen vergelijken
Patroon / vormDuits voorbeeld
LichtDie Sonne scheint.
Eindruck + AdjektivDer Vorschlag scheint gut.
Eindruck + zu-InfinitivSie scheint den Weg zu kennen.
Vergangenheitsformenschien / hat geschienen

Lees de hele constructie

Het scherm licht op: Der Computer scheint zu funktionieren geeft je indruk. Der Computer funktioniert stelt het direct vast. Een bijvoeglijk naamwoord kan zonder sein: Der Plan scheint gut, of met zu sein: Der Plan scheint gut zu sein. Heute scheint die Sonne beschrijft het weer, geen indruk.

Voorbeelden

  • Heute scheint die Sonne.Vandaag schijnt de zon.
  • Die Sonne schien durch das Fenster.De zon scheen door het raam.
  • Der Plan scheint sinnvoll.Het plan lijkt zinvol.
  • Das Gerät scheint zu funktionieren.Het apparaat lijkt te werken.
  • Du scheinst müde zu sein.Je lijkt moe te zijn.
  • Die Sonne hat den ganzen Tag geschienen.De zon heeft de hele dag geschenen.

Voorlezen gebruikt een synthetische Duitse stem op je apparaat. Kwaliteit en beschikbaarheid verschillen; je uitspraak wordt niet beoordeeld.

Let op

Een indruk geeft geen zekerheid. Een ander werkwoord na scheinen krijgt de zu-infinitief, niet de kale infinitief.

Probeer het zelf

  1. Die Sonne scheint durch das Fenster. Welche Bedeutung passt? (Licht / Eindruck)

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    Licht

    Licht — De zon schijnt door het raam; het gaat om licht, niet om onzekerheid.

  2. Das Gerät scheint ___ funktionieren.

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    zu

    zu — Deze infinitiefconstructie krijgt zu voor het laatste werkwoord.

  3. Gestern ___ die Sonne. (scheinen, Präteritum)

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    schien

    schien — In de onregelmatige verleden tijd wordt ei ie: scheinen wordt schien.

  4. Die Sonne hat lange ___. (scheinen)

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    geschienen

    geschienen — Het hulpwerkwoord staat er al; gebruik het voltooid deelwoord uit de tabel.

Gebruik het vandaag

Schrijf twee samenhangende zinnen over je eigen situatie met deze patronen: Heute scheint ... . / ... scheint ... zu sein.