Beschrijf je waar iets is, of leg je het ergens neer? Het Duits maakt dat verschil net als het Nederlands. Vergelijk een jas op de bank met de handeling waarmee je hem daar neerlegt.

Het idee

Liegen, stehen en sitzen beschrijven een bestaande positie. Legen, stellen en setzen brengen die positie tot stand. Bij ruimtelijke keuzevoorzetsels krijgt de plaats op de vraag wo? de derde naamval; het doel op wohin? krijgt de vierde.

Patronen vergelijken
InfinitiefOnvoltooid verleden tijdVoltooide tijd
liegenlaghat gelegen
legenlegtehat gelegt
stehenstandhat gestanden
stellenstelltehat gestellt
sitzensaßhat gesessen
setzensetztehat gesetzt

Kies eerst de positie

Een boek kan plat liggen of rechtop staan. Gebruik liegen/legen voor de platte positie en stehen/stellen voor de rechte positie. Onderscheid bij mensen zitten en gaan zitten: ich sitze en ich setze mich. Dit zijn de concrete ruimtelijke betekenissen; de werkwoorden hebben ook andere toepassingen.

De tabel geeft de gebruikelijke vormen met haben. In het zuiden van het Duitse taalgebied is sein bij sitzen, stehen en liegen ook standaard. Die regionale keuze van het hulpwerkwoord is iets anders dan het verschil tussen gelegt en gelegen.

Voorbeelden

  • Ich lege die Jacke auf das Sofa.Ik leg de jas op de bank.
  • Die Jacke liegt auf dem Sofa.De jas ligt op de bank.
  • Mira stellt den Wasserkocher neben die Tasse.Mira zet de waterkoker naast het kopje.
  • Der Wasserkocher steht neben der Tasse.De waterkoker staat naast het kopje.
  • Wir setzen uns ans Fenster.We gaan bij het raam zitten.
  • Jetzt sitzen wir am Fenster.Nu zitten we bij het raam.

Voorlezen gebruikt een synthetische Duitse stem op je apparaat. Kwaliteit en beschikbaarheid verschillen; je uitspraak wordt niet beoordeeld.

Let op

Beweging alleen betekent geen vierde naamval: Ich tanze im Zimmer beschrijft dansen binnen een kamer. Houd ook het voorwerp en de plaats uit elkaar: in Ich lege die Jacke auf das Sofa staan beide in de vierde naamval.

Probeer het zelf

  1. Die Jacke ist bereits auf dem Sofa. Sie ___ dort. (liegt / legt)

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    liegt

    Liegt beschrijft waar de jas ligt. Legt zou betekenen dat iemand iets neerlegt.

  2. Mira stellt den Wasserkocher neben ___ Tasse. (die / der)

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    die

    Die geeft na neben het doel aan. Daarna staat de waterkoker neben der Tasse.

  3. Wir möchten am Fenster sitzen. Wir setzen ___ ans Fenster.

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    uns

    Bij wir hoort uns: wir setzen uns. Het wederkerend voornaamwoord verwijst naar de mensen die gaan zitten.

  4. Gestern habe ich die Jacke auf das Sofa ___. (legen)

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    gelegt

    Gelegt is het voltooid deelwoord van legen, de handeling. Gelegen hoort bij liegen, de bestaande positie.

Gebruik het vandaag

Verplaats drie voorwerpen in je kamer. Zeg bij elk voorwerp een zin over het neerleggen of neerzetten en een zin over de nieuwe plaats. Ga daarna zitten: Ich setze mich …; vervolgens Ich sitze … .