Beide kunnen een gesprek beschrijven; voor talen gebruik je doorgaans sprechen.

Het idee

Leer mit jemandem sprechen/reden en über etwas sprechen/reden. Sprechen vormt sprichst, spricht, gesprochen; reden vormt geredet.

Patronen vergelijken
Situatie / vormPatroon / voorbeeld
SpracheDeutsch sprechen
Gesprächspartnermit jemandem sprechen / reden
Themaüber etwas sprechen / reden
Perfekthat gesprochen / hat geredet
Präsensdu sprichst / er spricht — du redest / er redet
ImperativSprich bitte langsam! / Rede bitte langsam!

Een taal spreken of een gesprek voeren?

Voor taalvaardigheid leer je Ich spreche Deutsch: ik spreek Duits. Wir sprechen über den Film en Wir reden über den Film betekenen allebei dat we over de film praten. Reden benadrukt vaak het praten zelf; het is niet automatisch onbeleefd. Sprechen is niet beperkt tot formele situaties.

Een zin maken: persoon, onderwerp en werkwoordsvorm

Gebruik mit + datief voor de persoon en über + accusatief voor het onderwerp: Ich rede mit meiner Freundin über den Kurs (ik praat met mijn vriendin over de cursus). Sprechen kan hier ook. Onthoud du sprichst, er spricht, maar du redest, er redet. In het Perfekt: wir haben gesprochen / geredet.

Voorbeelden

  • Sprichst du Deutsch?Spreek je Duits?
  • Wir sprechen über den neuen Plan.We praten over het nieuwe plan.
  • Kann ich kurz mit dir reden?Kan ik even met je praten?
  • Sie spricht sehr leise.Ze spreekt heel zacht.
  • Er hat lange über seine Reise geredet.Hij heeft lang over zijn reis gepraat.
  • Bitte sprich etwas langsamer.Spreek alsjeblieft wat langzamer.

Voorlezen gebruikt een synthetische Duitse stem op je apparaat. Kwaliteit en beschikbaarheid verschillen; je uitspraak wordt niet beoordeeld.

Let op

In Perfekt wordt het hulpwerkwoord vervoegd en staat het hoofdwerkwoord in Partizip II: hat gesprochen; hat geredet. Gebruik hier geen infinitief in plaats van het deelwoord.

Probeer het zelf

  1. ___ du Italienisch? (Sprichst / Redest)

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    Sprichst

    Antwoord: “Sprichst”. Deze betekenis gebruikt het werkwoord in deze vaste combinatie; leer de hele uitdrukking.

  2. Er ___ mit der Lehrerin. (sprechen)

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    spricht

    Antwoord: “spricht”. Controleer het onderwerp: de stam wisselt bij du en er/sie/es, doorgaans niet in meervoud.

  3. Wir haben über den Film ___. (reden)

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    geredet

    Antwoord: “geredet”. Het hulpwerkwoord draagt tijd en persoon; het laatste werkwoord krijgt het voltooid deelwoord.

  4. Ich rede mit ___ Freundin über den Film. (meine / meiner)

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    meiner

    Meiner is juist: mit krijgt altijd de datief, dus meine Freundin wordt mit meiner Freundin.

  5. Bitte ___ langsam! (sprechen, du-Imperativ)

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    sprich

    De gebiedende wijs bij du is sprich. De klinker verandert zoals bij du sprichst, maar zonder -st.

Gebruik het vandaag

Schrijf een gesprek van twee regels rond “Sprichst du Deutsch?”. Gebruik de doeluitdrukking in je antwoord en maak de betekenis duidelijk.