Holen benadrukt ergens iets ophalen; bringen het vervoer naar de bestemming.

Het idee

Eén opdracht kan beide omvatten: de jas uit de auto halen en naar binnen brengen. Abholen kan ook iemand op een afgesproken plek ophalen betekenen.

Patronen vergelijken
Situatie / vormPatroon / voorbeeld
holenhingehen und etwas mitnehmen
bringenetwas oder jemanden zu einem Ziel bewegen
abholenam vereinbarten Ort treffen und mitnehmen
Perfekthat geholt / hat gebracht
mitbringenBring deinen Pass mit. / hat mitgebracht
Empfänger + GegenstandIch bringe dir den Schlüssel.

Eén boodschap, twee perspectieven

Holen legt de nadruk op iets gaan halen: Ich hole die Jacke aus dem Auto. Bringen benadrukt het afleveren: Ich bringe die Jacke ins Haus. Dezelfde boodschap kan beide stappen omvatten. Ich bringe das Kind zur Schule betekent ik breng het kind naar school; waar de spreker staat, is daarbij niet doorslaggevend.

Abholen, mitbringen en de verleden tijd

Abholen is iemand ophalen of iets afhalen dat klaarligt: Ich hole dich am Bahnhof ab (ik haal je op bij het station). Mitbringen is iets meebrengen: Bring bitte deinen Pass mit (breng je paspoort mee). Beide voorvoegsels zijn scheidbaar. Alle vier werkwoorden vormen het Perfekt met haben: geholt, gebracht, abgeholt, mitgebracht.

Voorbeelden

  • Ich hole die Jacke aus dem Auto.Ik haal de jas uit de auto.
  • Bring bitte die Jacke ins Haus.Breng de jas alsjeblieft naar binnen.
  • Sie holt ihr Kind von der Schule ab.Ze haalt haar kind van school op.
  • Er bringt das Kind zur Schule.Hij brengt het kind naar school.
  • Ich hole schnell Wasser aus der Küche.Ik haal snel water uit de keuken.
  • Die Nachbarin hat uns einen Kuchen gebracht.De buurvrouw heeft ons een taart gebracht.

Voorlezen gebruikt een synthetische Duitse stem op je apparaat. Kwaliteit en beschikbaarheid verschillen; je uitspraak wordt niet beoordeeld.

Let op

In Perfekt wordt het hulpwerkwoord vervoegd en staat het hoofdwerkwoord in Partizip II: hat geholt; hat gebracht. Gebruik hier geen infinitief in plaats van het deelwoord.

Probeer het zelf

  1. Die Tasche liegt im Auto. Ich gehe zum Auto und ___ sie. (hole / bringe)

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    hole

    Antwoord: “hole”. Holen benadrukt ergens naartoe gaan om het voorwerp op te halen.

  2. Bitte ___ mir die Tasche hierher. (holst / bring)

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    bring

    Antwoord: “bring”. Bringen benadrukt vervoer naar ontvanger of bestemming.

  3. Sie hat Brot aus der Küche ___. (holen)

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    geholt

    Antwoord: “geholt”. Het hulpwerkwoord draagt tijd en persoon; het laatste werkwoord krijgt het voltooid deelwoord.

  4. Ich hole dich um fünf am Bahnhof ___. (abholen)

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    ab

    Ab staat achteraan: abholen is scheidbaar. Ich hole dich … ab betekent ik haal je op.

  5. Wir haben die Koffer zum Bahnhof ___. (bringen)

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    gebracht

    Gebruik gebracht, het onregelmatige voltooid deelwoord van bringen. Het hulpwerkwoord is haben, ook bij verplaatsing naar een bestemming.

Gebruik het vandaag

Schrijf een gesprek van twee regels rond “Ich hole die Jacke aus dem Auto.”. Gebruik de doeluitdrukking in je antwoord en maak de betekenis duidelijk.