Leer waar zahlen en bezahlen overlappen, hoe bedragen en personen in de zin passen en hoe je in een café afrekent.

Het idee

Beide betekenen betalen. Leer zwanzig Euro für etwas zahlen, eine Rechnung bezahlen, jemandem Geld zahlen en jemanden bezahlen. In de laatste twee krijgt de persoon een andere naamval.

Patronen vergelijken
Patroon / vormDuits voorbeeld
Betrag + für + Akkusativzehn Euro für das Buch zahlen
Rechnung als Objektdie Rechnung zahlen / bezahlen
Empfänger im Dativjemandem zwanzig Euro zahlen
Person im Akkusativjemanden für seine Arbeit bezahlen
Perfekt mit habenhat gezahlt / hat bezahlt

Lees de hele constructie

In een café passen Ich möchte zahlen en Ich möchte bezahlen. Mit Karte zegt hoe je betaalt; für den Kaffee waarvoor. Vergelijk Ich zahle ihr zehn Euro met Ich bezahle sie: de persoon krijgt eerst de datief, dan de accusatief. De deelwoorden zijn gezahlt en bezahlt.

Voorbeelden

  • Ich möchte bitte zahlen.Ik wil graag afrekenen.
  • Ich zahle vier Euro für den Kaffee.Ik betaal vier euro voor de koffie.
  • Wir haben die Rechnung schon bezahlt.We hebben de rekening al betaald.
  • Kann ich hier mit Karte bezahlen?Kan ik hier met de kaart betalen?
  • Ich zahle ihr zehn Euro für die Hilfe.Ik betaal haar tien euro voor de hulp.
  • Die Firma bezahlt ihre Mitarbeiter pünktlich.Het bedrijf betaalt zijn werknemers op tijd.

Voorlezen gebruikt een synthetische Duitse stem op je apparaat. Kwaliteit en beschikbaarheid verschillen; je uitspraak wordt niet beoordeeld.

Let op

Maak geen absolute regel voor bedrag of rekening: die Rechnung zahlen en die Rechnung bezahlen zijn allebei correct.

Probeer het zelf

  1. Wir haben mit Karte ___. (bezahlen)

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    bezahlt

    bezahlt — Het hulpwerkwoord staat er al; gebruik het voltooid deelwoord uit de tabel.

  2. Im Café: Ich möchte bitte ___. (zahlen / bezahlen; beide möglich?)

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    zahlen / bezahlen

    zahlen / bezahlen — Beide zijn hier natuurlijk; dit verzoek vraagt geen onderscheid tussen de synoniemen.

  3. Die Firma bezahlt ___. (er)

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    ihn

    ihn — Dit is het lijdend voorwerp in de accusatief.

  4. Wir haben die Rechnung ___. (zahlen)

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    gezahlt

    gezahlt — Het hulpwerkwoord staat er al; gebruik het voltooid deelwoord uit de tabel.

Gebruik het vandaag

Schrijf twee samenhangende zinnen over je eigen situatie met deze patronen: Ich zahle ... für ... . / Ich habe ... bezahlt.