Bij dikmek maakt het lijdend voorwerp duidelijk of iemand naait of plant. Gebruik de tabel voor werk dat bezig is, een afgeronde klus, een plan en een gewoonte.

Het idee

Etek dikmek betekent een rok naaien; fidan dikmek betekent een jong boompje planten. De stam dik- behoudt zijn k: dikiyorum, dikerim. De verleden tijd is diktim. In dikeceğim verandert alleen de laatste k van de toekomende-tijduitgang in ğ. Een bepaald lijdend voorwerp krijgt bijvoorbeeld de vorm düğmeyi; de bestemming bij het planten kan in de datief staan: bahçeye.

Patronen vergelijken
PersoonTegenwoordige duurvormVerleden tijdToekomende tijdAoristus
bendikiyorumdiktimdikeceğimdikerim
sendikiyorsundiktindikeceksindikersin
odikiyordiktidikecekdiker
bizdikiyoruzdiktikdikeceğizdikeriz
sizdikiyorsunuzdiktinizdikeceksinizdikersiniz
onlardikiyorlardiktilerdikeceklerdikerler

Voorbeelden

  • Annem bugün etek dikiyor.Mijn moeder naait vandaag een rok.
  • Babam bahçeye fidan dikti.Mijn vader heeft een jong boompje in de tuin geplant.
  • Bu düğmeyi ben dikeceğim.Deze knoop zal ik aannaaien.
  • Terzi her hafta birkaç gömlek diker.De kleermaker naait elke week een paar overhemden.
  • Bu kumaştan perde dikmiyoruz.We naaien geen gordijnen van deze stof.
  • Fidanları buraya mı dikeceksiniz?Gaat u de jonge boompjes hier planten?
  • Tohum ekiyoruz, fidan dikiyoruz.We zaaien zaden en planten jonge boompjes.

Voorlezen gebruikt een synthetische Turkse stem op je apparaat. Kwaliteit en beschikbaarheid verschillen; je uitspraak wordt niet beoordeeld.

Let op

Voor zaden gebruik je gewoonlijk tohum ekmek, voor een jong boompje fidan dikmek. Vertaal dus niet alles wat de grond in gaat met dikmek. De ontkennende duurvorm is dikmiyorum. In dikecek misiniz? schrijf je het vraagwoord los.

Probeer het zelf

  1. Vul de tegenwoordige duurvorm in: Ik naai nu een rok.

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    dikiyorum

    dikiyorum: şimdi wijst op een handeling die nu bezig is en ben vraagt om de eerste persoon enkelvoud. De k van de stam blijft voor de klinker staan.

  2. Vul de verleden tijd in: We hebben gisteren twee jonge boompjes geplant.

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    diktik

    diktik: dün plaatst het planten gisteren; de laatste -k betekent “wij”. Na de stemloze k van de stam begint de verleden-tijduitgang met t.

  3. Vul de toekomende tijd in: Deze knoop zal ik morgen aannaaien.

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    dikeceğim

    dikeceğim: je hebt een toekomstplan met ben nodig. Bij het toevoegen van de persoonsuitgang aan dikecek verandert de laatste k in ğ.

  4. Kies de infinitief die zaden zaaien betekent.

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    ekmek

    ekmek: het voorwerp is tohum, zaad om te zaaien, geen boompje om te planten. De opdracht vraagt de infinitief, geen vervoegde vorm.

Gebruik het vandaag

Schrijf een plan in drie zinnen: vandaag iets naaien, morgen een boompje planten en volgende week zaden zaaien. Kies het werkwoord bij het voorwerp en controleer de tijd.