Je leert onderscheiden in welke rol iemand handelt en op wie diens manier van praten lijkt. Bij voorwerpen maak je onderscheid tussen hun gebruik en hun gelijkenis met iets anders.

Het idee

Na een zelfstandig naamwoord kan olarak een rol of functie aangeven: öğretmen olarak çalışmak betekent als leraar werken. Bir öğretmen gibi konuşmak vergelijkt een manier van praten met die van een leraar, zonder het beroep vast te stellen. Houd de woordgroep met het zelfstandig naamwoord bij elkaar. Dit onderscheid heeft grenzen: geçici olarak betekent tijdelijk en beschrijft hoe lang een situatie duurt, geen beroepsrol.

Patronen vergelijken
Rol of functieGelijkenis
öğretmen olarak çalışmakbir öğretmen gibi konuşmak
masa olarak kullanmakmasa gibi görünmek
danışman olarak katılmakbir danışman gibi konuşmak

Voorbeelden

  • Ablam bu okulda öğretmen olarak çalışıyor.Mijn oudere zus werkt op deze school als lerares.
  • Ablam bir öğretmen gibi konuşuyor.Mijn oudere zus praat als een lerares.
  • Bu kutuyu masa olarak kullanıyoruz.We gebruiken deze kist als tafel.
  • Bu kutu masa gibi görünüyor.Deze kist lijkt op een tafel.
  • Toplantıya danışman olarak katıldım.Ik nam in de rol van adviseur deel aan de vergadering.
  • Toplantıda bir danışman gibi konuştum.Ik sprak tijdens de vergadering zoals een adviseur zou spreken.
  • Bu odayı geçici olarak kullanıyoruz.We gebruiken deze kamer tijdelijk.

Voorlezen gebruikt een synthetische Turkse stem op je apparaat. Kwaliteit en beschikbaarheid verschillen; je uitspraak wordt niet beoordeeld.

Let op

Leid uit gibi niet af dat iemand beslist geen leraar is. Een leraar kan ook bir öğretmen gibi praten; de zin benadrukt de gelijkenis. Omgekeerd hoeft een kist die je masa olarak gebruikt geen echte tafel te zijn: de functie in die situatie telt.

Probeer het zelf

  1. Dit is mijn beroep. Ik werk als kok in een hotel. Vul olarak of gibi in.

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    olarak

    olarak: de spreker noemt koken uitdrukkelijk als beroep. De zin geeft aan welk werk die persoon in het hotel doet.

  2. Koken is niet het beroep van deze persoon. Die kookt zoals een kok. Kies olarak of gibi.

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    gibi

    gibi: volgens de context is koken niet het beroep van deze persoon. De manier van koken wordt vergeleken met die van een kok.

  3. De plank dient nu als schap. Ik gebruik de plank als schap. Kies olarak of gibi.

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    olarak

    olarak: de plank dient daadwerkelijk als schap. Het gebruik bepaalt de keuze, niet een uiterlijke gelijkenis.

  4. De tas is erg zacht. Deze tas is zacht als een kussen. Kies olarak of gibi.

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    gibi

    gibi: de tas en een kussen hebben hun zachtheid gemeen. Er staat niet dat de tas als kussen wordt gebruikt.

Gebruik het vandaag

Schrijf twee zinnen over dezelfde persoon: één met olarak voor de rol en één met gibi voor het gedrag. Beschrijf daarna een voorwerp dat een ander doel dient dan gewoonlijk. Leg uit wat elke zin precies beweert.