Een wandeling, het wachten of een pan soep kan de achtergrond vormen voor een andere gebeurtenis. Met -ken verbind je die achtergrond met wat er ondertussen gebeurt, ook als twee verschillende mensen iets doen.

Het idee

In deze les geeft -ken een handeling of toestand aan die aan de gang is. Bij een werkwoord gebruik je de aoristbasis zonder persoonsuitgang: beklerken betekent „terwijl je wacht”. Het hoofdwerkwoord en de context bepalen de tijd: geçerken kan over gisteren gaan en evdeyken over morgen. Benoem het onderwerp duidelijk als het verandert: in Sen uyurken ben mutfağı temizledim sliep jij en maakte ik schoon. Een gedeeld onderwerp kan meestal onuitgesproken blijven. De vorming van de uitgang staat in de bijbehorende les over het achtervoegsel.

Voorbeelden

  • Yürürken etrafa bakıyorum.Tijdens het lopen kijk ik om me heen.
  • Beklerken gazete okuyorum.Terwijl ik wacht, lees ik de krant.
  • Çalışırken telefonu kapatırım.Als ik werk, zet ik de telefoon uit.
  • Dün köprüden geçerken yağmur başladı.Gisteren begon het te regenen terwijl ik de brug overstak.
  • Ben sebzeleri doğrarken ablam çorbayı karıştırdı.Terwijl ik de groenten sneed, roerde mijn oudere zus in de soep.
  • Sen uyurken ben mutfağı temizledim.Terwijl jij sliep, heb ik de keuken schoongemaakt.
  • Yarın evdeyken bitkileri sulayacağım.Morgen zal ik de planten water geven als ik thuis ben.
  • Çorba pişerken sofrayı hazırladık.We dekten de tafel terwijl de soep kookte.

Voorlezen gebruikt een synthetische Turkse stem op je apparaat. Kwaliteit en beschikbaarheid verschillen; je uitspraak wordt niet beoordeeld.

Let op

Lees -ken niet als „nadat iets klaar is”. In Çorba pişerken sofrayı hazırladık wordt de tafel tijdens het koken gedekt. Çorba piştikten sonra zou het tafeldekken na het koken plaatsen. De aoristbasis maakt de hele zin ook niet tegenwoordige tijd: het hoofdwerkwoord kan een gebeurtenis in het verleden beschrijven.

Probeer het zelf

  1. Kies de uitdrukking: we dekten de tafel terwijl de soep nog kookte.

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    pişerken

    pişerken: de soep kookt nog terwijl de tafel wordt gedekt. Met piştikten sonra zou dat pas na het koken gebeuren; dat verandert de beschreven situatie.

  2. Kies wie sliep: jij sliep en ik maakte de keuken schoon.

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    Sen

    Sen: volgens de opdracht ben jij degene die slaapt. Het volgende ben noemt de persoon die schoonmaakte; met Ben in de opening zouden beide handelingen aan mij worden toegeschreven.

  3. Kies de uitdrukking: gisteren begon de regen terwijl ik de brug overstak.

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    geçerken

    geçerken: het oversteken is bezig als de regen begint. Dün en başladı plaatsen de scène in het verleden; geçerim zou een zelfstandige uitspraak zijn: „ik steek over”.

  4. Kies de uitdrukking voor „als ik thuis ben” in het plan voor morgen.

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    evdeyken

    evdeyken: het water geven is gepland voor een moment waarop ik thuis ben. Yarın en sulayacağım maken dat moment toekomstig; eve betekent „naar huis” en drukt die toestand niet uit.

Gebruik het vandaag

Schrijf drie zinnen over activiteiten die elkaar in de tijd overlappen: met dezelfde persoon, met twee verschillende mensen en als plan voor morgen. Gebruik steeds een terwijl-bijzin en markeer wie welke handeling uitvoert.