ağrı betekent pijn. Let op dit niveau zowel op wie de pijn voelt als op de functie van het zelfstandig naamwoord in de zin. De tabel geeft de vormen; de voorbeelden laten zien wat elke uitgang toevoegt.

Het idee

De stam ağrı blijft intact, met ğ en de laatste puntloze ı: ağrıyı, ağrıya, ağrının. Bezit levert onder meer ağrım en ağrısı op. In baş ağrısı (hoofdpijn) verbindt -sı de zelfstandige naamwoorden; “mijn hoofdpijn” is baş ağrım. Het meervoud ağrılar kan verschillende pijnen of terugkerende episodes aanduiden. Bij onların ağrıları zijn meerdere personen betrokken; de context bepaalt of het om één pijn of meerdere gaat.

Patronen vergelijken
VormGebruik
ağrıgrondvorm: pijn
ağrıyıaccusatief: de pijn als object
ağrıyadatief: naar de pijn
ağrıdalocatief: in de pijn
ağrıdanablatief: van / door de pijn
ağrınıngenitief: van de pijn
ağrılarmeervoud: pijnen
ağrımmijn pijn
ağrınjouw pijn
ağrısızijn of haar pijn
ağrımızonze pijn
ağrınızjullie of uw pijn
onların ağrılarıhun pijn / pijnen
ağrılarımmijn pijnen
ağrısınızijn of haar pijn (object)

Voorbeelden

Voorlezen gebruikt een synthetische Turkse stem op je apparaat. Kwaliteit en beschikbaarheid verschillen; je uitspraak wordt niet beoordeeld.

Let op

De laatste ı van ağrı hoort bij de stam en betekent nog niet “zijn/haar”. Vergelijk ağrıyı als lijdend voorwerp met de bezitsvorm ağrısı. Maak je die laatste tot lijdend voorwerp, behoud dan het bezit en voeg n toe vóór de naamvalsuitgang: ağrısını, niet ağrısıyı.

Probeer het zelf

  1. Vul een vorm van ağrı in: Ik heb deze specifieke pijn niet eerder gevoeld.

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    ağrıyı

    ağrıyı: bu wijst een specifieke pijn aan die het lijdend voorwerp is van hissetmek. De verbindende y scheidt de laatste ı van de stam van accusatief -ı.

  2. Gebruik ağrı: De arts vroeg naar zijn of haar pijn. Behoud het bezit in de derde persoon.

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    ağrısını

    ağrısını: onun geeft aan van wie de pijn is waarnaar de arts vroeg. Voeg -nı toe aan ağrısı voor het lijdend voorwerp; ağrıyı zou het bezit weglaten.

  3. Druk met ağrı de oorzaak uit: Ik kon ’s nachts niet slapen door de pijn.

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    ağrıdan

    ağrıdan: de pijn is de reden dat de spreker niet kon slapen. De ablatief geeft hier de oorzaak aan; de locatief ağrıda zou dat verband niet uitdrukken.

  4. Gebruik het meervoud van ağrı met “mijn”: Mijn pijnen namen vandaag af.

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    ağrılarım

    ağrılarım: het gaat om meerdere pijnen van de spreker. Daarom komt meervoud -lar vóór bezitsuitgang -ım; ağrım zou enkelvoud blijven.

Gebruik het vandaag

Schrijf vier verzonnen zinnen: over een specifieke pijn, de pijn van iemand anders, een oorzaak met ağrıdan en meerdere pijnen van je verteller. Markeer bezit en naamval afzonderlijk.