Je vertelt een gesprek na vanuit je eigen perspectief. Bepaal eerst wie spreekt, wie luistert en wie elke handeling uitvoert. Onderscheid daarna een mededeling, een vraag en een verzoek om iets te doen.

Het idee

Bij söylemek krijgt een mededeling over het heden of verleden -dik, en een toekomstige mededeling -ecek, gevolgd door een bezitsuitgang en de accusatief. Dit zijn namen van achtervoegsels, geen volledige lijsten met varianten. De bezitsuitgang hoort bij het onderwerp van de ingebedde zin: Ece benim erken ayrıldığımı söyledi gaat over mijn vertrek. Een uitdrukkelijk genoemd onderwerp binnen die zin staat in de genitief. Bij een naamwoordelijk gezegde gebruik je olmak: odanın boş olduğunu. Behoud de ontkenning binnen de mededeling: bulamadığını betekent dat ze het niet kon vinden. Bij sormak blijft het vraagwoord staan (nerede oturduğumu) of gebruik je een bevestigend-ontkennend paar (gelip gelmeyeceğimi). Een verzoek met istemek gebruikt juist het handelingsnaamwoord: benden kapatmamı istedi. Verander tijd- en plaatswoorden alleen als hun verwijzing verandert: yarın kan ertesi gün worden en burada kan orada worden.

Patronen vergelijken
Oorspronkelijke woordenIndirecte weergave
Ece: “Atölyede çalışıyorum.”Ece bana atölyede çalıştığını söyledi.
Mert: “Size dosyayı göndereceğim.”Mert bize dosyayı göndereceğini söyledi.
Selin bana: “Nerede oturuyorsun?”Selin bana nerede oturduğumu sordu.
Ece: “Anahtarı bulamadım.”Ece anahtarı bulamadığını söyledi.
Mert bana: “Gelecek misin?”Mert bana gelip gelmeyeceğimi sordu.
Selin bana: “Pencereyi kapat.”Selin benden pencereyi kapatmamı istedi.
Ece: “Oda boş.”Ece odanın boş olduğunu söyledi.

Voorbeelden

  • Ece bana atölyede çalıştığını söyledi.Ece vertelde me dat ze in de werkplaats werkte.
  • Mert bize dosyayı göndereceğini söyledi.Mert vertelde ons dat hij het bestand zou versturen.
  • Selin bana nerede oturduğumu sordu.Selin vroeg me waar ik woonde.
  • Ece anahtarı bulamadığını söyledi.Ece zei dat ze de sleutel niet had kunnen vinden.
  • Mert bana gelip gelmeyeceğimi sordu.Mert vroeg me of ik zou komen.
  • Selin benden pencereyi kapatmamı istedi.Selin vroeg me het raam te sluiten.
  • Ece odanın boş olduğunu söyledi.Ece zei dat de kamer leeg was.
  • Mert ertesi gün orada olacağını söyledi.Mert zei dat hij er de volgende dag zou zijn.
  • Ece benim erken ayrıldığımı söyledi.Ece zei dat ik vroeg was vertrokken.

Voorlezen gebruikt een synthetische Turkse stem op je apparaat. Kwaliteit en beschikbaarheid verschillen; je uitspraak wordt niet beoordeeld.

Let op

Vervang niet iedere aangehaalde “ik” door “hij/zij”: bij het navertellen van je eigen woorden blijft de eerste persoon staan. Ook maakt het verleden söyledi niet elke ingebedde gebeurtenis verleden. Geleceğini söyledi plaatst het komen na de oorspronkelijke uitspraak, maar bevestigt niet dat het gebeurde. Op dezelfde dag kan yarın nog passen.

Probeer het zelf

  1. Vul het verslag aan: Ece zei: “Ik heb het bestand verstuurd.” Schrijf alleen het ontbrekende woord.

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    gönderdiğini

    gönderdiğini: Ece heeft het bestand verstuurd, dus het ingebedde onderwerp is de derde persoon. De laatste accusatief markeert de inhoud van haar uitspraak, niet degene die luistert.

  2. Op maandag zei Mert: “Morgen zal ik hier zijn.” Vertel dit op vrijdag vanuit een andere plaats na. Vul de werkwoordsvorm in.

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    olacağını

    olacağını: Toen Mert op maandag sprak, lag zijn verblijf nog in de toekomst. De vertelling op vrijdag behoudt die verhouding; ertesi gün verwijst naar dinsdag en orada naar de oorspronkelijke plaats.

  3. Selin vroeg me vandaag: “Kom je vanavond?” Geef haar ja-neevraag weer en vul het bevestigend-ontkennende paar in.

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    gelip gelmeyeceğimi

    gelip gelmeyeceğimi: Selin vroeg het aan mij; ik ben dus degene die mogelijk komt. Het bevestigend-ontkennende paar behoudt de ja-neevraag en de bezitsuitgang wijst naar de eerste persoon.

  4. Mert zei tegen mij: “Doe de deur dicht.” Geef dit weer als een verzoek aan mij. Schrijf alleen het ontbrekende woord.

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    kapatmamı

    kapatmamı: Mert wilde dat ik de deur sloot; hij beweerde niet dat ik dat al had gedaan. Het handelingsnaamwoord krijgt mijn bezitsuitgang en de accusatief; benden noemt degene tot wie het verzoek gericht is.

Gebruik het vandaag

Bedenk een gesprek op maandag met een mededeling, een vraag en een verzoek. Vertel het op vrijdag vanuit een andere plaats na. Benoem de handelende personen en leg elke wijziging van tijd- en plaatswoorden uit.