Je vervoegt bitirmek in drie tijden en kiest tussen bitirmek en bitmek door te vragen wie iets afmaakt.

Het idee

Bitirmek betekent iets afmaken, iets tot een einde brengen, en heeft een lijdend voorwerp nodig: ödevi bitirmek, işi bitirmek, okulu bitirmek. Een bepaald voorwerp staat in de accusatief. De stam bitir eindigt op een medeklinker: bitiriyorum, bitirdim, bitireceğim, bitirmedim. Als iets vanzelf ophoudt, zonder voorwerp, zeg je bitmek: ders bitti, şeker bitti.

Patronen vergelijken
PersoonTegenwoordigVerledenToekomst
benbitiriyorumbitirdimbitireceğim
senbitiriyorsunbitirdinbitireceksin
obitiriyorbitirdibitirecek
bizbitiriyoruzbitirdikbitireceğiz
sizbitiriyorsunuzbitirdinizbitireceksiniz
onlarbitiriyorlarbitirdilerbitirecekler

Voorbeelden

  • Ödevimi akşam bitireceğim.Vanavond maak ik mijn huiswerk af.Het voorwerp ödevimi is bepaald (mijn huiswerk), dus het staat in de accusatief: ödev + im + i. Voor -im wordt de k van -ecek een ğ: bitireceğim.
  • Romanı dün bitirdim.Gisteren heb ik de roman uitgelezen.Roman eindigt op een medeklinker en de laatste klinker is een achterklinker, dus de accusatief is -ı: romanı. De verleden tijd van bitir is bitirdi, met d na de stemhebbende r.
  • Sen işini bitirdin mi?Heb je je werk afgemaakt?İş + in + i geeft işini, de accusatief met jouw bezitsuffix. Het vraagwoordje staat los: bitirdin mi. Het voornaamwoord sen mag wegvallen.
  • Ders saat beşte bitiyor.De les eindigt om vijf uur.Dit is bitmek, niet bitirmek: niemand maakt de les af, ze loopt vanzelf af. Er is dus geen voorwerp en de stam is bit: bitiyor, niet bitiriyor.
  • Şeker bitti.De suiker is op.Weer bitmek: de suiker is op, zonder dat iemand hem heeft afgemaakt. Na de stemloze t van de stam is het verleden-tijdachtervoegsel -ti: bitti.
  • Kardeşim okulu geçen yıl bitirdi.Mijn broer of zus heeft vorig jaar de school afgerond.Okul + u geeft okulu, want het voorwerp van bitirmek staat in de accusatief. Okulu bitirmek betekent de school afronden; kardeş is een broer of zus, dus de zin past bij allebei.
  • bitirmedilerze hebben het niet afgemaaktbitirmedi-medi / -madı: de ontkennende verleden tijdlerPersoonsuitgangen van de verleden tijd: -m, -n, -k, -niz, -ler
  • bitireceğizwe maken het afbitireceğ-ecek / -acak: de toekomende tijdiz-im / -sin / -iz / -siniz: ik ben, je bent, wij zijn

Voorlezen gebruikt een synthetische Turkse stem op je apparaat. Kwaliteit en beschikbaarheid verschillen; je uitspraak wordt niet beoordeeld.

Let op

Gebruik bitirmek niet als niemand iets afmaakt: Ders bitirdi is fout, het moet Ders bitti zijn. Vraag je af of iemand de zaak tot een einde brengt: zo ja, bitirmek met een voorwerp, zo nee, bitmek.

Probeer het zelf

  1. Zet bitirmek in de verleden tijd voor ben: gisteren heb ik mijn huiswerk afgemaakt.

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    bitirdim

    bitirdim: de stam bitir eindigt op de stemhebbende r, dus het achtervoegsel begint met d; na de voorklinker i geeft dat -di, en het persoonsachtervoegsel voor ben is -m.

  2. Gebruik bitmek, niet bitirmek, in de tegenwoordige tijd: de les eindigt om zes uur.

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    bitiyor

    bitiyor: niemand maakt de les af, ze loopt vanzelf af, dus het werkwoord is bitmek met de stam bit; na de voorklinker i volgt -iyor.

  3. Zet bitirmek in de toekomende tijd voor ben: morgen maak ik het project af.

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    bitireceğim

    bitireceğim: na de voorklinker i komt -ecek, en vóór het achtervoegsel -im wordt de k een ğ.

  4. Zet kitap in de accusatief: heb je dit boek uit?

    Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord

    kitabı

    kitabı: door bu is het voorwerp bepaald, dus het staat in de accusatief; de p van kitap wordt voor een klinker een b, en de achterklinker a geeft -ı.

Gebruik het vandaag

Schrijf drie zinnen: iets wat je vandaag hebt afgemaakt, iets wat je morgen afmaakt en iets wat vanzelf afliep, zoals een les of een voorraad. Controleer bij elke zin welk werkwoord past.