Met götürmek breng je iets of begeleid je iemand naar een andere plek. Het werkwoord zegt niet of je loopt of rijdt. Bekijk eerst de vormen en bepaal daarna wat verplaatst wordt en waarheen.
Het idee
De stam götür- blijft gelijk: götürüyorum, götürdüm, götürürüm. In götüreceğim verandert de k van de toekomstuitgang in ğ voor de klinker van de persoonsuitgang. Een bepaald lijdend voorwerp krijgt de accusatief, de bestemming de datief: çantayı arabaya götürmek. Een verzoek maak je met götürür müsün?. Het bevel götür is voor één vertrouwde persoon; götürün is meervoud of beleefd. De tabel geeft meervoudsvormen bij onlar; enkelvoudige werkwoordsvormen zijn ook mogelijk.
| Persoon | Bezig in het heden | Verleden | Toekomst | Gewoonte | Ontkennend heden |
|---|---|---|---|---|---|
| ben | götürüyorum | götürdüm | götüreceğim | götürürüm | götürmüyorum |
| sen | götürüyorsun | götürdün | götüreceksin | götürürsün | götürmüyorsun |
| o | götürüyor | götürdü | götürecek | götürür | götürmüyor |
| biz | götürüyoruz | götürdük | götüreceğiz | götürürüz | götürmüyoruz |
| siz | götürüyorsunuz | götürdünüz | götüreceksiniz | götürürsünüz | götürmüyorsunuz |
| onlar | götürüyorlar | götürdüler | götürecekler | götürürler | götürmüyorlar |
Voorbeelden
- Çantayı arabaya götürüyorum.Ik breng de tas naar de auto.
- Babam kediyi veterinere götürdü.Mijn vader heeft de kat naar de dierenarts gebracht.
- Yarın sizi istasyona götüreceğiz.We brengen jullie morgen naar het station.
- Her cuma komşumu pazara götürürüm.Elke vrijdag breng ik mijn buurman naar de markt.
- Bu ağır kutuyu yukarı götürmüyorum.Ik breng deze zware doos niet naar boven.
- Bu sandalyeyi balkona götürür müsün?Wil je deze stoel naar het balkon brengen?
- Lütfen bu tabağı mutfağa götürün.Breng dit bord alstublieft naar de keuken.
Voorlezen gebruikt een synthetische Turkse stem op je apparaat. Kwaliteit en beschikbaarheid verschillen; je uitspraak wordt niet beoordeeld.
Er is geen Turkse stem op je apparaat beschikbaar. Je kunt de tekst nog steeds lezen.
Let op
Vertaal „brengen” niet automatisch met getirmek. Götürmek gaat naar een andere plek, terwijl getirmek naar de spreker gaat of naar de plek die als „hier” geldt. Geen van beide werkwoorden legt het vervoermiddel vast.
Probeer het zelf
Vul de verleden tijd van götürmek voor ben in: gisteren bracht ik de tas naar de auto.
Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord
götürdüm
götürdüm: dün plaatst de gebeurtenis gisteren en ben vraagt om -m. De laatste stamklinker geeft -dü; na de stemhebbende r blijft de d staan.
Gebruik de toekomst van götürmek voor ben: morgen breng ik je naar het station.
Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord
götüreceğim
götüreceğim: voor „ik” heb je -im nodig. Voor die klinker verandert de laatste k van götürecek in ğ. Zonder persoonsuitgang zou het „hij/zij zal brengen” zijn.
Geef araba de uitgang voor de bestemming: ik breng de tas naar de auto.
Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord
arabaya
arabaya: de auto is de bestemming, dus araba krijgt -ya, met y tussen de klinkers. Arabada zou aangeven waar de handeling plaatsvindt.
Kies götür of getir: de spreker blijft hier en de doos gaat daarheen.
Toon het antwoord of een voorbeeldantwoord
götür
götür: de spreker blijft uitdrukkelijk hier, terwijl de doos daarheen moet. Met getir zou je vragen de doos naar de spreker toe te brengen.
Oefenronde
Beantwoord vragen en zet waar mogelijk Turkse zinnen en woorden weer in elkaar. We bewaren je score.
Vul de verleden tijd van götürmek voor ben in: gisteren bracht ik de tas naar de auto.
Gebruik de toekomst van götürmek voor ben: morgen breng ik je naar het station.
Geef araba de uitgang voor de bestemming: ik breng de tas naar de auto.
Kies götür of getir: de spreker blijft hier en de doos gaat daarheen.
Tik de woorden in de juiste volgorde aan.
Tik de woorden in de juiste volgorde aan.
Tik de woorden in de juiste volgorde aan.
Bewaar je voortgang
Maak gratis een account aan om je oefenresultaten daarin op te slaan.
Account maken en opslaanIk heb al een accountGebruik het vandaag
Kies een tas, een dier en een persoon. Geef elk een bestemming: eenmaal in het verleden, eenmaal in de toekomst en eenmaal als gewoonte. Verander daarna één bestemming in „hierheen” en bekijk je werkwoordkeuze.

